Beoordelingen aanbestedingen vinden onzuiver plaats

In een interview met Aanbestedingscafe.nl stellen prof. mr. Elisabetta Manunza en prof. dr. Jan Telgen dat ondeugdelijke gunningsmethoden onvoldoende aan de kaak worden gesteld in rechtszaken. Waar in juridische procedures het vaak gaat over de vraag of de methode transparant en niet discriminerend is komt de formule die daadwerkelijk bepaalt welke inschrijver de opdracht wint niet aan de orde.

In de Aanbestedingswet 2012 staat slechts dat de weging bekend moet worden gemaakt, voor zover dit mogelijk is. Over de eisen die aan de methodiek gesteld moeten worden is niets geregeld. Hierdoor kan het zijn dat in Nederland veel gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde ‘relatieve beoordelingsmethode’, die in andere EU landen, zoals Portugal, verboden is. ‘‘Een groot probleem van dit scoringsmechanisme is dat de rangorde tussen twee leveranciers af kan hangen van een derde leverancier’’, aldus Telgen. Dit is niet professioneel, omdat de aanbestedende dienst eigenlijk laat zien dat hij niet weet hoe belangrijk hij een verschil in prestatie vindt. Daarbij laat deze methode ruimte voor manipulatie.

Uiteindelijk, concludeert Manunza dat ook zonder explicietere regels in de wet het mogelijk is om methoden zoals de relatieve beoordeling aan de kaak te stellen. Helaas houden rechters zich vooral bezig met de klassieke toets over gelijkheid en transparantie. Ze zouden vaker naar de inhoud moeten kijken, zoals hoe een methodiek werkt en welk effect de toepassing daarvan heeft en daar vragen over moeten stellen. Alhoewel het in kortgedingzaken begrijpelijk is dat rechters zich lijdelijk opstellen, zouden advocaten de mogelijkheden die de wet biedt om de objectiviteit van de methodiek aan te kaarten moeten benutten.

Voor het volledige artikel, klik hier.

 

English:

In an interview with Aanbestedingscafe.nl, prof. mr. Elisabetta Manunza and prof. dr. Jan Telgen point out that unsound award methods are not sufficiently contested in procedures before the Courts. These procedures merely address the question whether the used method was transparent and non-discriminatory, leaving the substance of the method, which actually decides who will be award a public contract, untouched.

The  Aanbestedingswet 2012 (Dutch Public Procurement Act 2012) merely obliges contracting authorities to disclose the weighting of the award criteria. The underlying method is, however, not regulated. As a consequence, it is possible that the so-called ‘relative scoring method’ is frequently used in the Netherlands. In other  EU-countries, such as Portugal, this method is prohibited. ‘‘A substantial problem of this method is that the ranking between two operators may depend on the score of a third operator’’, according to Telgen. This is unprofessional, because it shows the contracting authority’s unawareness about how important the differences between the various bids are for this authority . Moreover, this method leaves space for manipulation.

In the end, Manunza concludes that, even without more explicit regulation, it is possible to address methods, such as the relative award method, in legal procedures. She argues that the Courts should, in addition to transparency and equality, should look at the substance of a method. This would result in asking questions about how award methods work and what the effects of its application are. Although it is understandable that, in interim relief procedures, judges act passively, lawyers should still use the possibilities that the law provides to address the objectivity of an award method.

For the complete article (in Dutch), click here.